Van de week reisde ik per trein tussen de stations Hoofddorp en Duivendrecht. Bij station Zuid WTC stapten twee collega’s (van elkaar, niet van mij) in die hun conversatie voortzetten vanaf de twee tegenover mij gesitueerde zitplaatsen.
Het ging over hypotheekrentes en een volslagen-ten-onrechte-afgekeurd-verslag en mijn aandacht dreef terug naar mijn Metro/Spits/De Dag/whatever.
Totdat ik de zin: "Ja, dat is toch altijd moeilijk, een goede voornaam vinden" opving. Vanaf daar ging het gesprek snel, eindigend in een niet geheel onopgemerkte proest van mijn kant.
– "Inderdaad, meisjesnamen zijn zo lastig! Maar hoe heet jouw jongste zoon ook alweer?"
– "Jaylano!" (Jellano? Jelano? Jelayno? Gellano? Geil-ano?)
– "Nou, dat is een aparte naam, echt leuk!"
– "Ja, we dachten, als hij ouder is en hij vindt Jaylano te kinderlijk, dan kan hij zich altijd nog Jelly noemen."
– "Zo, daar hebben jullie echt over nagedacht, slim zeg!"
De conversatie ging na een vuile blik op mij (zie: proest) onmiddellijk over op wat ze die avond zouden gaan koken.
En ik kon alleen maar denken aan die arme Jelly, die waarschijnlijk pudding voorgezet zou krijgen.